Technologie en de Stad

Visie

Hoe zorgen we voor kwaliteit van leven in de stad? Hoe kunnen we bereiken dat het milieu geen schade lijdt? En dat we zo gezond mogelijk oud kunnen worden?

Anno 2018 kan digitalisering aan de antwoorden op deze vragen een ongekende dimensie geven.
Elphi Nelissen en Frans Vogelaar verkennen de mogelijkheden van de nieuwe technologie voor de toekomst van de stad.

Interview
Juni 2018

@ BPD magazine
Amsterdam

Toen Joseph Ratzinger in april 2005 werd ingehuldigd als paus Benedictus XVI, juichte op het Sint Pietersplein in Rome een enthousiaste menigte. Zoals een menigte dat tot dan toe altijd deed. Acht jaar later, bij de inauguratie van zijn opvolger Franciscus, was het plein één kolkende zee van omhooggestoken smartphones.

Het laat zien wat er gebeurt met nieuwe technologieën: ze leiden vaak eerst een sluimerend bestaan voordat ze zich in hun volle omvang laten zien. Vervolgens duurt het nog een tijd voordat we beseffen hoezeer ze de wereld veranderen. Zo ging het met de boekdrukkunst, de stoommachine, het internet en de smartphone, en zo zal het gaan met de zelfrijdende auto en de blockchain.

Het is misschien wel de moeilijkste opgave: op waarde schatten wat de impact van een technologische ontwikkeling écht is. Wat zijn de consequenties van de zelfrijdende auto voor de manier waarop wij onze steden ontwerpen? Kan het internet écht zorgen voor ‘slimme steden’ waarin de kwaliteit van leven substantieel verbetert? Het is nog niet duidelijk. We zitten er middenin.

De onzekerheid over de toekomst mag ons echter niet ontslaan van de poging een antwoord te formuleren. We doen dat in de Nederlandse stad die volgens velen een hotspot is van innovatieve toptechnologie: Eindhoven. Bakermat van successen als Philips en ASML, maar inmiddels ook geroemd voor zijn toonaangevende positie in revolutionair design, vernieuwend onderzoek en jong ondernemerschap. Hier nam Elphi Nelissen, decaan van de Technische Universiteit in 2016 het initiatief om binnen vijf jaar een Slimme Wijk te realiseren. Een wijk waar digitale technologie wordt ingezet om de duurzaamheid en de kwaliteit van leven te verbeteren, dankzij nieuwe bouwmethoden, nieuwe vormen van energieopwekking en -opslag, nieuwe vervoersconcepten en een andere kijk op veiligheid en gezondheid. Deze nieuwe wijk, het Brainport Smart District, verrijst in buurgemeente Helmond. Daar wordt 85 hectare gereserveerd voor ongeveer 1.500 woningen, winkels en kantoren in een volstrekt innovatieve setting.

We vragen commentaar aan Frans Vogelaar, Nederlands ontwerper en architect. Hij woont sinds 25 jaar in Duitsland en trekt daar de aandacht met zijn even eigenzinnige als spraakmakende ontwerpen, onder meer voor een beoogde groene transformatie van het veelbesproken Stadtschloss in Berlijn, zijn woonplaats. Vogelaar is gespecialiseerd in ontwerpend onderzoek naar hybride ruimtes, plekken waar de fysieke wereld een interactie aangaat met de wereld van internet, beelden, communicatie.

Technologie voor een beter leven in de stad

Is er eigenlijk nu al iets zinnigs te zeggen over de impact van de digitalisering voor de stedelijke omgeving?
Of kan dat pas over geruime tijd?

F.V.: “Nee, we kunnen al veel zien. Kijk, hier ligt mijn smartphone. Wat ik nu al weet, is dat dit ding slechts een tussenstap zal zijn. De technologie ontwikkelt zich razend snel. Technische ontwikkeling verloopt altijd in cycli, in een steeds hoger tempo. Er was veel te doen over Virtual Reality, waar je als gebruiker in een virtuele digitale wereld belandt, en Augmented Reality, waar je fysieke omgeving wordt vermengd met digitale informatie. Dat zijn veelbelovende ontwikkelingen, die steeds meer toepasbaar worden. Voor mij staat vast dat de digitale wereld de stad steeds meer en sneller gaat veranderen. Het belangrijkste is dat je een visie ontwikkelt om met die versnelling om te gaan. Doe je dat niet, dan ben je verloren.”

 

E.N.: “Een formulering als de ‘impact van digitalisering’ is mij eigenlijk te passief. Alsof digitalisering je overkomt. Het gaat er juist om dat je zelf aan het stuur komt te zitten. Dat je de ontwikkelingen een bepaalde kant op stuurt, vanuit de gedachte: wat is er allemaal voor moois waardoor we ons leven beter en mooier kunnen maken? Een verandering is ook pas levensvatbaar als we die verandering actief accepteren. Zo ging het bij de mobiele telefoon, en zo zal het gaan bij elke nieuwe technologische ontwikkeling.”

In Helmond probeert u nu een ‘Smart District’ van de grond te krijgen. Wordt het leven in die wijk echt mooier en beter door digitale toepassingen?

E.N.: “Dat moet natuurlijk nog blijken. We willen daar een living lab opzetten, waarin we alle beschikbare kennis van de Technische Universiteit Eindhoven én andere partijen gaan toepassen, om ervan te leren. In dat Brainport Smart District, rijden straks autonoom rijdende auto’s. Er is ruimte voor lokale energieopwekking en voor een nieuwe soorten gebouwen, die voorzien in de behoefte aan gemeenschappelijke ruimtes. Maar we proberen ook een gezonde omgeving te scheppen: door mensen te stimuleren om te bewegen en dat te monitoren. Dat zal de eenzaamheid terugdringen, de gezondheid verbeteren, het leven gemakkelijker maken en misschien zelfs leiden tot een inclusievere samenleving waarin mensen een minder grote afstand tot de arbeidsmarkt ontwikkelen.”

Dat klinkt als een utopie. Het doet in de verte denken aan de ingenieurs die in de jaren vijftig grote flatwijken ontwierpen met de beste bedoelingen, maar daarbij de mens vergaten.

E.N.: “Nee, het gaat juist om de mens, niet om de technologie. We leggen dit niet als ingenieurs van bovenaf op. We spelen wel in op behoeften die mensen vaak zelf niet expliciet kunnen verwoorden. We laten zien wat allemaal mogelijk is. Vergelijk het met de iPad: die is er ook gekomen zonder dat erom werd gevraagd. Kernpunt: technologie moet altijd dienstbaar zijn aan de kwaliteit van het leven. Die kwaliteit willen we verbeteren. En op den duur – als het experiment lukt – willen we het daarvoor ontwikkelde instrumentarium misschien zelfs exporteren. Want we kunnen niet zo doorgaan. Als de stad in opkomende landen in de rest van de wereld net zo wordt ingericht als wij de afgelopen honderd jaar hebben gedaan, zonder respect voor het milieu, loopt het compleet spaak op deze planeet.”

Waar denkt u eigenlijk aan bij ‘dienstbare digitale technologie in de stad’?

E.N.: “Eén voorbeeldje: een eenvoudige app waarmee mensen in de wijk straks spullen kunnen ruilen of lenen – op wijkniveau. Met zo’n app leer je meteen je buren en buurtgenoten beter kennen. Veel opties zullen overigens worden aangedragen door de bewoners zelf. Ze zijn dan ook nauw betrokken bij deze gebiedsontwikkeling. Ze komen voor een deel uit Brandevoort, een naburige wijk met veel betrokken mensen. En al vóór de eerste steen wordt gelegd, zullen vast weer nieuwe technieken opduiken die we ook zullen toepassen.”

F.V.: “Ik vind dat razend interessant. Vooral de combinatie van de fysieke en digitale wereld spreekt tot de verbeelding. Als mensen elkaar beter leren kennen via digitale toepassingen, zal dat een positieve invloed hebben op het onderling vertrouwen, de samenhang in de wijk.”

Critici zullen zeggen: dit is een utopie die in een dystopie kan ontaarden. Slimme tandenborstels die gegevens over je gebit verzamelen en doorgeven aan de zorgverzekeraar. Apps die je lokaliseren en kijken of je wel genoeg beweegt. Nog even los van de kwetsbaarheid van het internet of things: de beveiliging is vaak zo lek als een mandje.

F.V.: “Zeker, je moet je daar goed rekenschap van geven. Maar tegelijk is er de noodzaak om je te ontwikkelen, om niet passief te blijven. Experimenteren is daarvoor de beste route. Experimenteren is overigens – dat kan ik inmiddels wel zeggen – een typisch Nederlandse kwaliteit. Zo’n living lab in Helmond wordt integraal aangepakt, in goede samenwerking tussen allerlei disciplines: overheid, bedrijfsleven, wetenschap en vooral in samenwerking met de bewoners. Dat is kenmerkend voor Nederland, met zijn vrij platte samenleving. In Duitsland, dat veel hiërarchischer is ingericht, zou men dit eerst lang en grondig bestuderen. En vervolgens misschien wel de allerbeste stadswijk ooit ontwikkelen, met de allerbeste digitale technologie. Maar die tijd hebben we dus niet, zoals ik al zei. Daarvoor gaan de ontwikkelingen te snel.”

Mobiliteit en stedenbouw zullen veranderen door digitalisering en robotisering. Auto’s worden autonoom, elektrisch, deelbaar. De afgeleide impact van die veranderingen zal echter nog groter zijn. Centra verschuiven. Straten veranderen. Steden worden groener.

In de nieuwe wijk in Helmond rijden straks zelfrijdende auto’s rond. Wat kunnen we zeggen over de gevolgen voor de stedelijke omgeving van dit soort nieuwe vormen van mobiliteit?

F.V.: “Ik ben ervan overtuigd dat zelfrijdende auto’s en e-mobiliteit grote veranderingen gaan brengen. Om te beginnen in het straatbeeld. Doorlopende verkeersassen in de steden veranderen van karakter. Ze worden minder vies, minder lawaaierig, zodat huizen er anders op kunnen worden georiënteerd, vooral in de nieuwbouw, maar ook in bestaande wijken. In een shrinking car city kunnen parkeerplaatsen weg. Ook garages zijn niet echt meer nodig. De straat wordt gezonder, veiliger, levendiger, groener. Ik verwacht dat zelfrijdende auto’s over maximaal vijfentwintig jaar de norm zijn. Dat is veelbelovend als je bedenkt dat deze ontwikkeling parallel loopt aan de vergrijzing in Nederland en Duitsland.”

E.N.: “In de nieuwe wijk willen we zo snel mogelijk gaan experimenteren met gedeeld elektrisch vervoer. Je auto is dan niet je bezit meer. Inderdaad, dat is handig als je ouder wordt: dan hoef je niet meer zonodig je eigen auto, je hoeft op den duur ook niet zelf meer te rijden, je kunt altijd op maat worden vervoerd. Dat is iets totaal anders dan het klassieke openbaar vervoer, dat dan ook ingrijpend zal veranderen, verwacht ik.”

F.V.: “Voor mij is duidelijk dat de mobiliteit echt zal veranderen door digitalisering en robotisering. Auto’s worden autonoom, elektrisch, deelbaar. De afgeleide impact van die veranderingen zal nog groter zijn. Je krijgt andere rijroutes, andere stadscentra door andere vervoersbewegingen en andere hiërarchieën in de stadsregio. Dat kan ook gevolgen hebben voor de vastgoedprijzen.”

Een zelfrijdende auto is ook weer een onuitputtelijke bron van data. Van wie zijn de data eigenlijk in een digitale stedelijke wereld? En wat gebeurt ermee?

E.N.: ‘Daarin hebben wij een helder standpunt: de data zijn straks eigendom van de bewoners. Ze weten wat ze straks kunnen delen – of beter gezegd: moeten delen – om het systeem te laten functioneren. Om energie geleverd te krijgen, zul je bijvoorbeeld bepaalde data moeten afstaan. Bijvoorbeeld over je energiegebruik en -behoefte. Daarenboven kunnen bewoners andere data vrijwillig ter beschikking stellen, in ruil voor betere service, financiële voordelen, of een soort bonuspunten. Wie zijn oude buurvrouw helpt, krijgt misschien huurkorting, of fiches voor een gratis auto of fiets.”

En wie dat niet doet? Die krijgt strafpunten?

E.N.: “Nee, nee! Maar je krijgt ook geen voordeel. Nota bene: dit is een laboratorium, een proefopstelling. We gaan kijken hoeveel mensen hun data ter beschikking willen stellen: is dat 10 of 90 procent? En laten we wel wezen: de verschillen zijn gradueel. We geven nu allemaal al ongelooflijk veel data af via onze smartphone. Je telecomprovider weet waar je bent. Google baseert zijn filemeldingen en verkeersinformatie op data uit onze smartphones.”

F.V.: “In Duitsland zou dit element zeer gevoelig liggen. Dat komt door de historische achtergrond, de geschiedenis. Duitsland heeft op dit punt echt een andere cultuur. Dat zie ik ook terug bij jongeren en studenten: die zijn politiek veel kritischer dan Nederlandse studenten. Dat vind ik enorm goed aan Duitsland, aan het Duitse onderwijs. Wat niet wegneemt dat de wereld niet stilstaat. En dat je moet nadenken. Wat is privacy in een digitale wereld? Het concept is ooit uitgevonden in Engeland in de zeventiende eeuw, waar privéruimte werd geschapen met de uitvinding van de corridor. Dat was de allereerste private space. Privacy is een cultureel begrip, het is een luxe die we ons eigen hebben gemaakt. Maar zo’n concept is niet eeuwig. Er zal iets anders voor in de plaats komen. Bijvoorbeeld een familiaire private omgeving, met de klassieke privacy, en de openbare omgeving, waarin je bepaalde gegevens willens en wetens anoniem deelt en waar je de ownership van jouw data behoudt.”

E.N.: ‘De data gaan niet zomaar naar ondernemingen. Wij brengen ze eerst naar een platform en pas daarna – uiteraard versleuteld en onpersoonlijk – stellen we ze ter beschikking aan bedrijven die op grond van de data nieuwe inzichten ontwikkelen.”

Privacy is een cultureel begrip, een luxe die we ons hebben eigen gemaakt

Aan welke inzichten moeten we dan denken?

E.N.: “Neem autonoom rijden. Als dat doorbreekt, dan kun je je afvragen: hoeveel auto’s zijn eigenlijk nodig? Kunnen we de ruimte in de wijk misschien anders indelen? Dan raakt digitalisering direct aan je stedelijk ontwerp. Zo willen we veel leren en alle verzamelde kennis toegankelijk maken, voor iedereen. Ander voorbeeld: werken die nieuwe gebouwtypologieën echt? Stel dat negen van de tien concepten goed aanslaan, dan kunnen we alsnog leren van het tiende dat niet werkt. Zo zouden we anders en beter kunnen gaan kijken naar de stad.”

Zijn architecten, ontwikkelaars, bouwbedrijven eigenlijk wel klaar voor deze experimentele manier van denken en werken?

E.N.: “Het is een zeer versnipperd beroepsveld, met zeer verschillende houdingen en posities ten opzichte van innovatie. Zoals bij de meeste innovaties, moeten we beginnen met de meest innovatieve voorlopers, waarna de rest ongetwijfeld gaat volgen. Of moet gaan volgen.”

F.V.: “Ik ben er nog niet zo zeker van of ze er wel klaar voor zijn. Maar dit initiatief kan, vermoed ik, goed laten zien wat kan en niet kan. Ik weet wel dat Nederland met dit soort experimenten voorop loopt. Het behoort op dit punt echt tot de vooruitstrevendste landen ter wereld. En Nederland is er ook heel goed in om er ruchtbaarheid aan te geven. Duitsland loopt zeker niet achter, maar het ontwikkelt en werkt grondiger – en daardoor langzamer.

In het licht van de permanente digitale revolutie waarmee we te maken hebben zou het een buitengewoon interessante en ijzersterke combinatie zijn: Nederland-Duitsland. Nederland: land van lichtheid, innovatie en communicatie. Duitsland: land van degelijkheid en organiserend vermogen.”

Inspiratie

Elphi Nelissen
“De City Deal Circulaire Stad, waarin de Nederlandse overheid invulling geeft aan het programma Circulaire Economie. Steden, het Rijk, de Europese Commissie, maatschappelijke partners en het bedrijfsleven werken samen aan het versterken van groei, leefbaarheid en innovatie in het Nederlandse en Europese stedennetwerk.”e toepassingen, zal dat een positieve invloed hebben op het onderling vertrouwen, de samenhang in de wijk”

Frans Vogelaar
“De boeken van Yuval Noah Harari, historicus, filosoof, futuroloog en transhumanist. En dan met name Homo Deus, over wat ons te wachten staat bij de technologische revolutie, en Sapiens, een kleine geschiedenis van de mensheid vanaf de steentijd tot nu.”

BIO’s

Elphi Nelissen
is decaan van de faculteit Bouwkunde en hoogleraar Building Sustainability aan de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e). Nelissen studeerde in 1983 af aan de TU/e in de richting bouwfysica. In 1991 richtte zij Nelissen Ingenieursbureau op, gespecialiseerd in bouwfysica, akoestiek, duurzaamheid en installatietechniek. Nelissen (MKB vrouwelijke ondernemer van het jaar 2010) is momenteel leider van het transitieteam Circulaire Bouw Nederland en lid van de Taskforce Bouwagenda. Binnen de TU/e introduceerde ze het programma Smart Cities, met de ambitie om de theorie te gaan toepassen in de praktijk.

Frans Vogelaar
is sinds 1998 hoogleraar Hybrid Space aan de Academy of Media Arts Cologne, een kunst- en ontwerpopleiding op universitair niveau die technologie, wetenschap en kunst verbindt. Hij is oprichter van het Hybrid Space Lab, een onderzoekend ontwerpbureau dat zich richt op de uitdagingen die de digitale wereld stelt aan ontwerpers van de fysieke ruimte. Vogelaar studeerde Industrieel Ontwerpen aan de Design Academy Eindhoven en architectuur aan de Architectural Association School of Architecture (AA) in Londen. Hij werkte eerder bij de Studio Alchymia (Allessandro Mendini) in Milaan en het Office for Metropolitan Architecture (OMA) in Rotterdam.