Hybrid Institut

Het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) heeft een reputatie opgebouwd als centrum voor alle aspecten van architectuur in Nederland en als grootste architectuurcentrum ter wereld.

Maar de gouden tijden zijn voorbij, het huidige bezuinigingsbeleid dwingt tot herbezinning.

Het NAi moest fuseren met twee andere instituten en gaat nu samen met deze partners nieuwe wegen in het Nieuwe Instituut.

Publikatie Hybride Instituut @ DB Deutsche Bauzeitung, Duitsland, 3 juni 2013

Super
Dutch

In een internationale vergelijking is de architectuursector in Nederland gedurende een lange periode uitzonderlijk genereus gesubsidieerd. Deze ontwikkeling van de architectuur, die de ontwikkeling en internationale vestiging van het Nederlandse architectonisch gedreven toerisme sinds het midden van de jaren tachtig mogelijk heeft gemaakt, is goed te begrijpen in het licht van de speciale ontwikkelingsomstandigheden in dit land. Als een door de mens gemaakt landschap en gevormde polders heeft Nederland van oudsher ontwerpberoepen erkend als een bepalende factor bij het vormgeven van de nationale identiteit.

Maar de algemene economische crisis heeft ook de Nederlandse bouwsector getroffen. Met toenemende leegstand en een stagnerende vastgoedmarkt, stijgt de werkloosheid sinds 2009 en verkeert de verkoop door architecten – het vroegere “SuperDutch” [1] – in een crisis. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is de omzet van de architectenbureaus in 2012 met 22% gedaald en lag het aantal nieuwe gebouwen in 2011 op het laagste niveau sinds 1953, het begin van de statistische onderzoeksacquisitie.

Neoliberalisme

Volgens de logica van het neoliberalisme wordt op het Europese continent een sterk bezuinigingsbeleid gevoerd. Ook de Nederlandse architectuursector wordt getroffen door bezuinigingen op subsidies in het kader van budgettaire saneringen. De bezuinigingen brengen momenteel het voortbestaan van een aantal instellingen in gevaar, waaronder de lokale architectuurcentra (“Architectuur Lokaal”), het “Berlage Instituut” voor postdoctorale studenten, de Archiprix prijsvraag en de Rotterdamer Architekturbiennale.

In het kader van de algemene consolidatie besloot het bevoegde ministerie van Cultuur om het Nederlands Architectuurinstituut (NAi), het Nederlands Instituut voor Design en Mode (Premsela Stichting) en het Virtueel Platform, dat verantwoordelijk is voor digitale cultuur, samen te voegen. Uit de fusie ontstond begin 2013 “Het Nieuwe Instituut”, dat gehuisvest is in het gebouw van het oude NAi en dient als platform voor de promotie van de “creatieve industrie”. Zijn leider Guus Beumer leidde eerder het onafhankelijke NAi offshoot in Maastricht en was ook directeur van het lokale kunstcentrum Marres.

De woordkeuze “industrie” is kenmerkend voor de heroriëntatie van het cultuurbeleid en impliceert een manier van werken die meer gericht is op zelffinanciering en dus een meer commerciële oriëntatie van deze culturele instelling. Al medio 2011 is NAi onder druk een samenwerking aangegaan met private bedrijven uit de bouw- en meubelindustrie.

De partnerinstellingen hebben elk een uitgebreide en zeer succesvolle internationale balans. Ze beïnvloeden al jaren het professionele discours en de professionele taal en ondersteunen en vormen de professionele netwerken die zich rond hen groeperen. Hun verplichte eenwording kwam dan ook alleen tot stand onder protest van de respectieve beroepsgroepen en de instituten zelf. Toch heeft de fusie ook een groot potentieel voor innovatie, wat des te relevanter is vanwege de grotere problemen waarmee het gilde te maken heeft.

Hybridisatie

In het kader van de nieuwe conceptualisering van het nieuwe instituut werden Elizabeth Sikiaridi en Frans Vogelaar ingeschakeld om hun expertise in te brengen. Hun interdisciplinaire studio Hybrid Space Lab combineert onderzoek, ontwikkeling en ontwerp en richt zich op de hybride velden die ontstaan door de combinatie en convergentie van omgevingen en objecten met netwerken en diensten in het huidige informatie- en communicatietijdperk.

De belangrijkste focus van de conceptuele benadering lag v. a. op de nieuwe gemeenschappelijke perspectieven die ontstaan door het samenvoegen van de ontwerpwerkplekken [2]. Ten slotte ervaren we niet alleen een hybridisatie van de verwante disciplines architectuur en design en van digitale cultuur, maar ook van de creatieve werkvelden in de bredere context.
Sinds het einde van de jaren 1960 heeft de kunstpraktijk de grenzen van de traditionele artistieke media, bijvoorbeeld beeldhouwkunst en schilderkunst, overschreden en ontwikkelt zich in de richting van een post-medium conditie, zoals beschreven door Rosalind Krauss [3]. Vaak versmelten binnen één artistiek project schilderkunst en beeldhouwkunst, film, geluid en interactieve media met elkaar.

Kenmerkend voor de laatste decennia is ook het vervagen van de grenzen tussen design en autonome kunst. De Nederlandse kunstenaar Joep van Lieshout is slechts een van de vele “hybride” kunstenaars die zich tegelijkertijd thuis voelen in de toegepaste gebieden van architectuur en design en op de markt van de autonome kunst. Net als Tobias Rehberger, die als beeldend kunstenaar architecturen en ruimtevullende installaties ontwierp en de Gouden Leeuw ontving voor zijn cafetaria in het centrale tentoonstellingspaleis van de Biënnale van Venetië.

Netwerken

Terwijl de werkruimtes van creatieve productie naar elkaar toegroeien, is de universele computer een brug die de verschillende gebieden van muziek, grafisch ontwerp, architectuur, objectontwerp, video- en mediadesign met elkaar laat communiceren en complexe informatie überhaupt hanteerbaar maakt.

De digitale technologieën ondersteunen de verwevenheid en samensmelting van omgevingen en objecten met diensten en procesruimten, ze maken het mogelijk complexe structuren te ontwerpen en complexe dynamische processen te besturen – taken die worden uitgebreid naar ontwerpers en architectuur. Klassiek objectontwerp houdt zich steeds meer bezig met ecologische circuits, met participatieve ontwerpomgevingen en gedecentraliseerde productiemethoden, zoals FabLabs [4] en met gebruikersinteracties.

Bij het ontwerp van architecturale en stedelijke ruimten houdt zo’n procesgeoriënteerde ontwerp- en planningsbenadering ook rekening met de veelheid aan cycli van een stadslandschap: het meervoudig gebruik en de meervoudige codering van ruimten, de levenscycli van de bouwstructuur, het intermediaire gebruik en de herbestemming van bestaande structuren. Energiekringlopen spelen een belangrijke rol, architectuur is een energietransformatie (plus energiehuizen, plus energieparken), evenals overwegingen met betrekking tot de esthetiek van het energielandschap en materiaalrecycling, Bijvoorbeeld in het “cradle to cradle”-principe (zie db 6/2011, p. 78) wordt bouwafval beschouwd als een grondstof.

De focus van architecten en stadsplanners verschuift van het ontwerpen van ruimtes naar het programmeren van processen. Aangezien de digitale media de sociale communicatie in het algemeen veranderen, zoals samenwerking via netwerken, open source of Wikipedia, en er nieuwe verwachtingen ontstaan op het gebied van discussie en samenwerking, is er een groeiende vraag naar deskundige moderatoren. Het spectrum varieert van de coördinatie van een vergadering op kleinere schaal tot een participatief stadsontwikkelingsproject.

Tegelijk met de hybridisering van werkpraktijken zien we ook een toenemende specialisatie binnen de afzonderlijke ontwerpdisciplines. De toenemende omvang en complexiteit van gespecialiseerde kennis leidt ook tot steeds smallere beroepsprofielen voor ontwerpers, met name architecten. Het nieuwe “hybride” instituut in Rotterdam wil deze perspectiefvernauwing tegengaan door een holistische kijk op complexe ontwerptaken en werkvelden. Het zal hopelijk ook het interdisciplinaire laboratorium blijken te zijn waarin de versnellende technologische ontwikkelingen op het gebied van informatietechnologie, nanotechnologie, biotechnologie en neurotechnologie worden samengebracht om te worden gebruikt om de kwaliteit van onze omgeving te verbeteren.

Het Nieuwe Instituut biedt met zijn interdisciplinaire aanpak de mogelijkheid om de opkomende uitdagingen aan te gaan en daarmee de Nederlandse architectuur en stedenbouw te (her)positioneren in de voorhoede van technische, culturele en sociale innovatie.

Notities

[1] Bart Lootsma: SuperDutch. New Dutch Architecture, DVA, Munich 2000
[2] Elizabeth Sikiaridi and Frans Vogelaar: „Rebooting (Dutch) Design« in »The Design Journal«, Band 15, Edition 4, 2012, Pages 479-491
[3] Rosalind Krauss: »A Voyage on the North Sea: Art in the Age of the Post-Medium Condition«, Thames & Hudson, London 2000
[4] FabLabs (Engl. fabrication laboratory) zijn open, democratische high-tech werkplaatsen met als doel het bieden van industriële productieprocessen voor individuele stukken.

related PROJECTS

related PRESS